Skip to content

Lieve, lieve, allerliefste vriendje

De dag dat ik zei dat ik je zou ophalen om je uit het leven te halen waar je inzat, was èèn van de beste beslissingen uit mijn leven. Ik weet niet hoe, en niet waarom maar je moest daar weg. Ik zou wel zien waar het schip zou stranden. Een leven op een eiland was en is voor jou het paradijs. Nu geef ik het stokje door. Je blijft hier, dat moest ook wel van mij. Want terug naar de binnenstad…nooit en te nimmer. Er staat een mand voor jou in een ander huis. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik jank al de hele week maar dat geeft niet. Jij hebt mensen om je heen nodig, het liefst de hele dag. Daar ben je Labrador voor. En zee en strand en bos en duin. Maar daar ben je nu al een beetje aan gewend. Ik ga onze urenlange wandelingen missen, onze zwempartijen, onze fitties, maar ik hoop dat ik dat nog eens mag doen. Dat zou mij gelukkig maken. Het andere huis is veel groter en er is altijd iemand thuis die van jou kan genieten. Zoals ik van jou genoten heb. Ik mag altijd op de koffie komen en hoop ik nog een keertje op je passen. Vergeef me vriendje, het is niet dat ik je niet wou, maar omdat ik zo enorm, intens verschrikkelijk veel van je hou. Xxxxxxx tot snel vriendje. Ik blijf je eeuwig trouw.

Voor mijn liefste, allerliefste hond ter wereld, Neo.

Voor petra. @wasmuts voor ons.

Ik vind het zo merkwaardig te weten dat ik je in het echt nog nooit gezien heb maar dat we er altijd wel lustig op los twitterden. Toen ik een keer helemaal in de put zat gaf jij mij het foute uur. Toen ik ging twouwen was jij erbij sammen met Harvey. Jij was de eerste die ik virtueel knuffelse en jij was de enige bij wie ik vond dat blauwe glitters ook echt stonden. Je hebt nog nooit ergens over gezeken. Bedankt voor je knuffela. Liefs, @spatels alias @xhebikweerx

Gelukzalig

Je hebt wel eens van die momentje dat je gewoon graag zou willen ophouden met bestaan. Dat je denkt; getver, ik moet door want ik kan niet opeens ophouden met ademen. Dat je in rondjes loopt van frustratie en loopt op je eigen vulkaan. Maar,dan zijn er weer van die dagen die dat alles wegvangen. Alsof je altijd al zielsgelukkig bent geweest. Bijvoorbeeld, als je met een primitief kookfrutsetje op een zelf gemaakt vuurtje in een grote pan mosselen kookt.

Hij pakte zijn mes en sneed de tomaat in vier stukken. Het licht van de tegenstribbelende zon kleurde al een beetje oranje. Maar dat zag je niet met het ongetrainde oog. Stoïcijns sneed hij hompen knoflook en camembert waarna hij op de mosselen de pesto drapeerde. Zij speelde met mijn hond, die ik natuurlijk mee had genomen. Als ie maar een beetje uit het vuur blijft. Eerder waren we al naar de spiegelgladde zee gelopen n hadden we nieuwsgierige zeehondjes begroet. We hadden er acht geteld. Onder onze voeren krioelde het van de mini heremietkreeftjes die met hun huisjes van nauwelijks drie centimeter niet wisten wat ze overkwam. Heremkietkreeftjes hebben maar 1 armpje. Een heel schattig krabachgig armpje. De pan staat op het vuur, de biertjes zijn geopend, de sigaretjes zijn aangestoken We staren even naar de immense zandvlakte die achter ons ligt en zeggen gewoon even helemaal niets. De zee kleurt lichtblauw, oranje en geel. Verderop turquoise en rose. De zeehondjes spelen in de verte. Als ik ruik dan ruik ik geluk. Niet voor die mossels natuurlijk. Want moesten een offer brengen. Een uur later liggen er overal lege mosselschelpen. Over 1000 jaar denken mensen dat er een heel primitief volkje heeft geleefd daar, maar ze zijn jaloers. Ik was gister ook jaloers op mezelf. Op de terugweg overal zand en zeewater en niet te vergeten mosselprut,in de jeep over de zandvlakte met de natte meurhond bij mij achterin. Maar we zeggen niets. Maar als ik naar ze kijk….zie ik alleen maar gelukzaligheid.

Onverwachts bezoek.

Daar stond ie. Voor het raam. Starend naar de dikke regendruppels die in hun eigen weggetjes langs het raam gleden. Als de dag van gister zie ik hem in het halfduister, af en toe lichtte zijn gezicht op in het blauwe schijnsel van de bliksem. In zijn ogen lag geen angst maar diepe verwondering. Mijn moeder kwam net binnen toen het gebeurde. Hoe vaak had ze wel niet gewaarschuwd dat we niet bij het raam mochten staan als het onweerde. Het raam barstte na de knal in duizend stukken uit elkaar en boorden zich in mijn broertje. Mijn moeder wilde hem vangen maar hij glibberde langs haar handen. Zijn verkoolde lichaam lag te stomen en te stuipen op de keukenvloer. Ik zag hoe de scherven glas in zijn lichaam prachtig weerkaatsten op de muren door de alsmaar doordenderende bliksem. Terwijl mijn moeder de flapjes van mijn broertje weer terugvouwde als ze een scherf had verwijderd stond ik inmiddels drijfnat van de regen, beplakt met blaadjes, te kijken naar het dansende licht wat geheel onverwacht de kamer was binnengedrongen.

Waarom?

Zoeken zijt gij de lezer van dit blog, op zoek naar waarheden die niemand heeft. Antwoorden op vragen die nog nooit door iemand gesteld zijn. Want een vraag die uit de ziel komt van iemand draagt de persoon met zich mee. Als ik vraag waar de wereld vandaan komt, wil ik dat natuurlijk met heel andere motieven weten dan u. Elk zielenroerseltje hoe groot of klein ook heeft een dubbele agenda, een vierdubbele bodem, een ongezien duister land wat achter de vraag schuilt. Een goedkeuring van een daad, een overtuiging van een te nemen beslissing ligt alleen bij u zelf. NIEMAND heeft ooit dezelfde vraag gesteld als u, en die vraag is morgen weer anders ook al bestaat hij uit dezelfde woorden.
Neen, antwoorden zijn nergens te vinden, ook als u er tot in den eeuwigheid naar zoekt. Wanneer u dit accepteert, bent u de pineut. Want dan is alle nut om te vragen hopeloos. Ik zal dus altijd blijven denken, waarom?

Zilte, warme zeelucht

Vandaag is het weer een dag…dat je zielsgelukkig kan zijn op een eiland. Ik ging vanmorgen naar de winkel en toen ik buiten kwam rook ik de zilte zeelucht, de warmte van gister hing nog in de lucht waardoor het een beetje tropisch leek. Een zweempje tropen in mijn neusgaten. Het bos staat vol paddestoelen en de zee is opgehitst door de herfstwinden uit het noorden. Het zal nu niet lang meer duren of de vorst komt aan de grond. Het dorp is steeds stiller geworden. Geen brullende kinderen, geen verdwaalde toeristen, geen schreeuwers bij de dokterswacht, geen ellenlange rijen bij de bakker of de supermarkt. De toeristen gaan terug naar hun drukke steden, hun neonlichten en hun files. Waar ik af en toe ook even aan moet snuiven. Dan zijn we weer alleen. Met het ruisen van de zee. De winter staat aan de voordeur zachtjes te duwen. De bakens gaan aan en de kachels omhoog. Dan pas, met het komen van de kortere dagen, de ijselijke wind en de bevroren oren, dan weet je pas wat een eiland doet.

Vergane Glorie

Met oude stramme vingers peuter ik aan het dekseltje van mijn drinkbeker. Eentje met een tuitje, waarvan ik steeds bijna kokhals omdat al die draadjes plastic in mijn smoel blijven hangen. Er loopt de hele tijd een meisje om me heen druk te doen, blond, jong fris, Ik wou dat ze doodging. Hier, voor mijn neus. Dan kan ze ook niet meer achter me staan als ik in de spiegel kijk. Of mijn brood smeren en me voeren omdat dat lichaam van mij niet meer meedoet. En babbelen over hun kinderen. Of over het weekend. Wat ze al drinkend en neukend hebben doorgebracht. Terwijl ik met al mijn opgedroogde pies en poep billen lig weg te teren. Want, denken kan ik nog wel hoor. Ik weet wel wat ze doen. Maar dat ouwe lichaam hè? Dat zakje botten. Want meer is het niet…en meer zal het ook niet worden. Er kwam vanmorgen weer een kaart, Mevrouw Gerards is overleden…84 mooie leeftijd zeggen ze dan. Waar wij bij zitten. Ik ben 86…Ben ik over datum? Mijn geest is helder. Alleen mijn lichaam is oud. Mijn kont was ooit vol en rond. Nu zijn het twee flapjes. Wapperende flapjes! Mijn tieten herken ik zelf niet eens meer! Dat meisje huppelt nog steeds om me heen. Ik snap het wel…dat ze het niet weten. Dat ik ooit mooi ben geweest. Dat dat mannen ooit voor me in de rij stonden, om me vochten, tegen bomen aanreden. En blijf met je gore poten van me af! Rot op met je slabbetje! Ja, de Mannen, ze waren er…Maar nu niet meer. Want ik ben stervende. En ik zou het liefst de uitvinder van peuterspeelzalen in bejaarden tehuizen meenemen mijn graf in. Want dat is iemand een trap na geven die al vergeten is. Alleen al daarom wil ik dood. Laat me gewoon sterven. De glans is er wel af.